Ons PolderLabo - Naar een volwaardige akkerbiodiversiteit in Sint-Eloois- en Sint-Franciespolder met ons PolderLabo

IMG_1363

Achtergrond

De boerenlandvogels kenden de meest uitgesproken afname in Europa (een afname van 58 % sinds 1990, tegenover een afname van 4,5 % bij de bosvogels). Die daling in West-Europa is hoger dan het gemiddelde. Daarbij zitten soorten die zondermeer dramatische afnames kenden. In Vlaanderen namen de Kievit, Patrijs en Veldleeuwerik sinds 2007 resp. met 75%, 58% en 26% af. En hoewel de 'bodem' wellicht nog niet bereikt is, kan wel worden gesteld dat die soorten nu afhangen van enkele zogenaamde ‘strongholds’ met daartussen heel veel ‘verlaten’ broedgebieden. Die ‘strongholds’ geven ook mooi het plaatje weer waar die negatieve trends vandaan komen. Minder akkerbiodiversiteit, in de vorm van semi-productieve teelten én natuurlijke structuren, resulteert in minder vogels. Onder een bepaald niveau leidt dattot uitsterven, regionaal soms verbazend snel.

Dat laatste zien wij bij voorbeeld al in onze twee polders voor de Veldleeuwerik. Maar ook voormalige broedvogels als Graspieper, Kneu, Ringmus, Zomertortel en Kwartel ontbreken er nu. Daarnaast hebben soorten als Kievit en Patrijs hier alleszins geen duurzame populaties. In de aangrenzende polders in Zeeuws-Vlaanderen hebben ze nog lagere aantallen. Van daaruit kunnen wij dus geen immigratie verwachten. Als wij onze populatie boerenlandvogels willen versterken gaan wij dus moeten werken aan voldoende kwaliteitsvol leefgebied om onze nog lokaal voorkomende soorten te bevorderen maar nog meer om verdwenen soorten weer aan te trekken als broedvogel en te laten stijgen tot zij weer duurzame populaties hebben.

Duurzame populaties in aantallen en %

Waar willen we terug naar toe en wat hebben we daar voor nodig? Wij hangen ons verhaal bewustop aan de meest kenmerkende soorten van open landbouwgebied. We streven naar een kernpopulatie in ons PolderLabo (wat een +/- 300 hectaren ‘nuttige oppervlakte’ beslaat).  In onderstaande tabel geeft het +/- weer wat dat in aantal en oppervlakte betekent. Daaruit blijkt dat we ook over de grens moeten kijken om dat te realiseren. We mogen ambitieus zijn maar een samenwerking over de grens heen kan het draagvlak voor meer akkerbiodiversiteit mogelijks nog versterken.

Scherm­afbeelding 2026-03-28 om 09.25.32
IMG_2054
IMG_1556

Vertaling naar het PolderLabo

En hoe vertaal je dat nu naar onze polderlabo. Wat is hoog kwalitatief leefgebied? Is dat voor alle soorten hetzelfde? En kan er dan nog aan landbouw gedaan worden?

Dat laatste is vanzelfsprekend, want zonder boeren geen boerenlandvogels.

Er zal beheerd moeten worden met een behoorlijke intensiteit. Anders verlies je die soorten sowieso. Maar het zal duidelijk meer kansen voor tijdelijke en permanente biodiversiteit vergen in vergelijking met nu. Een algemene richtlijn die ‘hoog kwalitatief leefgebied’ beschrijft hanteert een invulling van 7 à 10 % van het agrarisch gebied met maatregelen en structuren die de biodiversiteit kunnen dragen.

Dat percentage is richtingevend en  soms moeilijk te kwantificeren. Je kan bijvoorbeeld op percelen heel strenge beperkingen stellen naar landbouw om heel kwalitatieve biodiversiteit te bereiken of veel milder te werk gaan, met misschien minder biodiversiteit maar wel een meer duurzaam landbouwgebruik.  Het eerste is bijvoorbeeld een perceel dat een jaar braak blijft liggen, het tweede bijvoorbeeld een grasland met uitgestelde eerste snede, beperkte bemesting en zonder bestrijdingsmiddelen. In het eerste geval zijn de landbouwverliezen maximaal als je enkel productie in beschouwing neemt. Je begint wel met gezondere en voedzamere bodem in het jaar erna. In het tweede geval kan je toch nog van een productie van boven de 50 % spreken.

Wat doen we concreet?

Leeuwerikvlakken

Veldleeuweriken die geen populaties in de nabijheid hebben, zijn soms moeilijk aan te trekken naar een geschikt perceel.  Met het aanleggen van vlakken (4) kan een grotere aantrekkingskracht bekomen worden. Zo creëer je ook geschikt foerageergebied naast geschikte nestplaatsen. Veldleeuweriken maken hun nest in vegetatie van een 20-tal centimeter maar foerageren eerder in kortere vegetatie met afwisselend ook bijna kale stukjes. Wanneer je vlakjes onderhoudt van minstens 20 m² combineer je die vereisten. We maken ze standaard iets groter omdat we denken dat de grasklaver iets te dicht is en zo de vlakken een groter belang kunnen hebben voor succesvolle broedgevallen. Om de vlakjes te realiseren maaien we kort voor het broedseizoen en naargelang de opkomst van het gras nog eens in het broedseizoen zelf.

Grasland in verschillende hoogte en types

Op het einde van het groeiseizoen na verschillende maaibeurten en (over)begrazing gaan reguliere graslanden heel kort de winter in. Heel geschikt voor meeuwen, ganzen en Houtduiven in het winterhalfjaar maar ongeschikt voor soorten die ook hier en daar of permanent dekking nodig hebben. Zeker bij sneeuwval kan het er voor Patrijzen op aankomen dat er ook nog schuilmogelijkheden zijn op grotere schaal. Zo is de kans groter dat een Vos of kiekendief hen net niet dan wel tegenkomt. Daarin zit ook nog meer eten, voor zowel Patrijzen, gorzen als piepers. Ook de diversiteit aan insecten kan hierdoor verhoogd worden gezien dit ook als overwinteringsgebied dient voor eieren, larven of poppen. Dimensionering in zowel hoogte als oppervlakte is hier wel belangrijk. Je wilt ook niet dat het verstorend werkt op soorten die geen opgaande vegetaties verdragen zoals weidevogels. We doen dit dus in weloverwogen zones en op een schaal die het totaalplaatje versterkt.

Tapeluring

Het aanlokken van soorten door het afspelen van de zang in geschikt habitat wordt weinig toegepast. In het geval van de aanwezigheid van een geschikt leefgebied maar met een lage kans op kolonisatie door de afwezigheid van een bronpopulatie, is dit het experimenteren waard. Naar verwachting zou dit kunnen werken voor Veldleeuweriken, aangezien die behoorlijke afstanden afleggen op trek en ook veel rondvliegen in het broedseizoen. Denk bijvoorbeeld aan ongepaarde of immature vogels die een nieuw gebied opzoeken. Of Veldleeuweriken die midden in het broedseizoen gebieden moeten verlaten doordat ze plots ongeschikt worden door landbouwwerkzaamheden.

Grasklaver als broed- en foerageergebied

Op onze akker(s) beginnen we met inzaai van grasklaver, zonder bemesting of bestrijdingsmiddelen. Dit kunnen we jaren aanhouden of zien als natuurlijke bemesting (door de klaver) om daarna 1 à 2 jaar graan te kunnen telen. Het eerste jaar, met een tragere opkomst, kan dit al geschikt broedgebied zijn voor soorten die in de percelen broeden zoals Patrijs of Veldleeuwerik. We laten daarom sowieso enkel een verlate eerste snede toe. Doorheen het jaar zal de biomassa, dankzij de klavers, die van reguliere grasklaver (met kunstmest) benaderen, mogelijks zelfs voorbijsteken. Omdat de klavers geen mest verdragen en reguliere grasklaver zo meer vergrast. Het uitblijven van bodemkerende bewerkingen laat het koloniseren door Veldmuizen toe. Kiekendieven, Torenvalken, Blauwe en Grote Zilverreigers vinden dit blindelings.  ’s Nachts uiteraard ook Vossen maar wellicht ook nu en dan een Velduil of een Roerdomp uit de naburige kreek.