Historisch polderlandschap

Alles begon hier met modder, klei en schapenwol.

De (menselijke) geschiedenis van het North Sea Port District begint niet met beton en staal, maar met modder, klei en schapenwol. In de vroege middeleeuwen bestond de Gentse Kanaalzone en het Zeeuwse achterland uit een dynamisch, wild getijdenlandschap van slikken (platen die bij vloed onder water lopen) en schorren of kwelders (hoger gelegen delen die alleen bij springvloed overstromen)...

IMG_0464
pexels-sonny-vermeer-505472791-31735663

Wielen, kreken, vergeten dorpen.

Wielen (of waaien) zijn diepe, vaak cirkelronde kolkgaten die ontstonden op het moment dat een dijk doorbrak. Het instromende vloedwater stortte zich met zo'n enorme, destructieve kracht over de polder dat de bodem metersdiep werd uitgehold. Omdat die gaten te diep waren om te dempen, werd de nieuwe dijk er in een boog omheen gelegd. Een 'wiel' is dan ook de tastbare herinnering aan een paniekmoment uit het verleden.

Er zijn ook vele krekenrestanten. Grote stormvloeden (zoals de Sint-Elisabethsvloeden of de stormvloeden tijdens de Tachtigjarige Oorlog, toen dijken om strategische militaire redenen werden doorgestoken) zetten complete polders decennialang onder water. De zee schuurde nieuwe, diepe geulen (kreken) in het land. Toen het land later opnieuw werd ingepolderd, bleven de kreken achter als grillige, blauwe aders in het strakke, rechte polderpatroon.

Onder het havenslib en de industrieterreinen liggen de resten van tientallen middeleeuwse dorpen die definitief door de zee zijn opgeslokt. Plaatsen zoals Nieuwenschoot, Wulpen of Othene (het oorspronkelijke dorp) verdwenen in de golven. Dat 'verdronken verleden' geeft het landschap een diepe, melancholische laag die verklaart waarom de lokale bevolking historisch gezien een intense, bijna defensieve band heeft met hun grond.

Het polderland rondom het havengebied heeft een heel specifieke morfologie ontwikkeld om te overleven in een boomkaal, windgevoelig landschap.

Een lange strijd met het water.

In de vroege middeleeuwen bestond de Gentse Kanaalzone en het Zeeuwse achterland uit een dynamisch, wild getijdenlandschap van slikken (platen die bij vloed onder water lopen) en schorren of kwelders (hoger gelegen delen die alleen bij springvloed overstromen). Vanaf de 11e en 12e eeuw begonnen vindingrijke actoren met de systematische bedijking van dit gebied. Grote actoren hierachter waren de Vlaamse abdijen (zoals de Sint-Pietersabdij en Sint-Baafsabdij uit Gent) en lokale heren. Zij zagen in de vruchtbare zeeklei een enorme economische kans voor landbouw en schapenteelt (wol voor de bloeiende Vlaamse lakenindustrie). De eerste dijken waren met de hand, kruiwagens en spaden gecreëerde "verhogingen". Het waren lage wallen die het water net buiten moesten houden. Door de gecontroleerde afwatering via sluizen en duikers veranderde het zoute getijdengebied stapsgewijs in een strak, vruchtbaar cultuurlandschap: de polder. Het landschap kreeg zijn kenmerkende structuur van weidsheid, rechte sloten, regelmatige kavels en open horizonten.

De strijd tegen het water was er een van vallen en opstaan. De mens waande zich vaak veilig achter de dijken, maar de natuur sloeg herhaaldelijk genadeloos terug. Het landschap van het havengebied is getekend door een groot aantal historische trauma's. Wie vandaag door de polders rond Terneuzen, Assenede of Zelzate fietst, ziet een schijnbaar vredig landschap. Toch herbergen de grillige waterlopen en diepe plassen donkere verhalen.

 

pexels-pattjjee-15484388

ECO-INSIGHT: Historische context - de verschillende fases.

De historische context van het North Sea Port District laat zich onderverdelen in de volgende chronologische/thematische fasen:

De natuurlijke ondergrond en de prehistorie.

Geologische basis: oorspronkelijk bestond het District uit één uitgestrekte dekzandvlakte. In de loop van de tijd werd er in het noordelijke deel een dik pakket klei afgezet. Daardoor ontstond een fundamentele geografische tweedeling: het Zeeuwse kleilandschap (dat altijd onder invloed van de zee stond) en het hoger gelegen Vlaamse zandlandschap (dat nooit overstroomde). De grens tussen klei en zand ligt grotendeels rond de huidige landsgrens.
Eerste bewoners:
tienduizenden jaren geleden trokken de eerste jagers-verzamelaars door de zandvlaktes van de regio. Tijdens de ijzertijd en de Romeinse tijd begonnen de bewoners natuurlijke hulpbronnen te exploiteren. Door het graven van sloten en de winning van turf en zout werd het landschap gaandeweg echter wel kwetsbaarder voor overstromingen.


De middeleeuwen: De opkomst van steden en de strijd tegen het water.

Permanente nederzettingen:vanaf de vroege middeleeuwen (450–1000) ontstonden permanente nederzettingen op de hogere, drogere gronden. Helemaal in het zuiden, op de samenvloeiing van de Leie en de Schelde, ontstond de nederzetting Ganda, het latere Gent, dat uitgroeide tot een stad van wereldformaat.
Inpoldering:
tot in de middeleeuwen was de Westerschelde veel smaller en vormde de regio landschappelijk meer een eenheid. Grote Gentse abdijen (zoals de Sint-Baafs- en Sint-Pietersabdij) speelden een leidende rol in de vroege Zeeuwse inpolderingen.
Leven met het water:
 het Zeeuwse deel van het District kenmerkt zich door een eeuwenlange, vaak pijnlijke strijd tegen het water, getekend door stormvloeden, dijkdoorbraken en verdronken dorpen. Desondanks bracht de Westerschelde ook voedselrijkdom en verbond het de regio met internationale handelsroutes.


Vroegmoderne tijd: Een strategisch grensgebied en vroege kanalen.

De grens als frontlinie: vanwege de ligging tussen zee en de hogere zandgronden had het North Sea Port District altijd een grote strategische waarde. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568–1648) fungeerde het District als frontlinie. Militaire inundaties (het opzettelijk onder water zetten van land) en politieke conflicten zorgden ervoor dat de zee opnieuw terrein won. In die periode werd de huidige landsgrens gevormd. De verdedigingswerken van de Staats-Spaanse liniesrond Zelzate herinneren daar trouwens nog altijd aan.
De Gentse zoektocht naar de zee:
 Gent was historisch gezien de economische motor van de regio en zocht continu naar een directe verbinding met de wereldmarkt. Dat leidde in de late middeleeuwen tot de aanleg van de Lieve (richting Brugge) en in de vroegmoderne tijd tot de Sassevaart richting het noorden. Via de Braakman (een destijds diepe zeearm) sloot de Sassevaart aan op de Westerschelde. De Sassevaart geldt als de directe historische voorloper van het huidige kanaal.


Moderne tijd (19e eeuw tot heden): Industrialisatie en schaalvergroting.

Het Kanaal Gent-Terneuzen: in de 19e eeuw werd het Kanaal Gent-Terneuzen gegraven. Dat kanaal verving de oude routes en gaf Gent definitief een robuuste verbinding met de zee. Het kanaal werd de fysieke levensader van het district.

Industrialisatie: in de 19e en vooral de 20e eeuw veranderde het karakter van de regio drastisch. Grote industriële spelers en zware industrie vestigden zich in de Gentse Kanaalzone en later (jaren '60 en '70) in de Nederlandse havens van Vlissingen en Terneuzen (onder andere aangewakkerd door de Nederlandse Rijksoverheid om de druk op Rotterdam te spreiden). Nieuwe infrastructuur zoals spoorlijnen, snelwegen en havens (zoals het Sloegebied bij Vlissingen) transformeerden het landschap.

Fusie: waar de havens aan weerszijden van de grens in de 20e eeuw nog met elkaar concurreerden, besloten ze in 2018 de krachten te bundelen. Het Havenbedrijf Gent en Zeeland Seaports fuseerden tot het grensoverschrijdende havenbedrijf "North Sea Port", dat inmiddels tot de top van Europese havens behoort qua toegevoegde waarde.

Een haven in een historisch decor.

De polderdorpen in de Gentse Kanaalzone en Zeeland zijn vaak dijkdorpen of ringdorpen. Ze zijn compact gebouwd op de weinige hoger gelegen plekken of pal tegen de oude slaperdijken aan, veilig voor het water. De oude middeleeuwse dijktracés hebben hun waterkerende functie inmiddels verloren aan de reusachtige zeedijken langs de Westerschelde, maar ze zijn nog altijd de ruggengraat van het landschap. Tegenwoordig dienen ze als iconische, door bomen omzoomde fietspaden die toeristen en bewoners door de regio gidsen.

In een open landschap waar de wind vrij spel heeft vanaf de Noordzee en de Westerschelde, was en is vegetatie bittere noodzaak. Meidoornheggen werden oorspronkelijk gebruikt als natuurlijke, ondoordringbare veekering in plaats van dure houten hekken. Knotwilgen en populieren werden strategisch aangeplant langs sloten en dijken. Hun wortels fixeren de fragiele dijkklei, en hun kruinen breken de zware stormen die over het vlakke land razen. Ze geven de polder zijn iconische, herkenbare silhouet.

In de 20e en 21e eeuw kreeg de polder te maken met een nieuwe wel heel bijzondere 'overstroming': de oprukkende industrie en de haveninfrastructuur. Dat zorgt nu nog voor een permanent en actueel spanningsveld.

Voor de aanleg van nieuwe dokken, containervelden, spoorlijnen en chemische fabrieken is ruimte nodig. Enorme oppervlakten historisch polderland zijn onder een metersdikke laag opgespoten zand verdwenen.

Dorpen zoals Terdonk (volledig verdwenen) of Doornzele en Mendonk (langs het kanaal) of Sluiskil (deels verdwenen) kwamen onder zware druk te staan of raakten hun agrarische achterland kwijt. Dat leidde tot een direct conflict tussen economische schaalvergroting en het behoud van landschappelijke identiteit.

Moderne landschapsarchitecten en havenplanners beseffen inmiddels dat de polder niet simpelweg een 'lege kaart' is die volgebouwd kan worden. De trend verschuift naar het integreren van de historische lijnen in de havenontwikkeling:

Tussen de zware industrie en de polderdorpen werden en worden brede, groene koppelingsgebieden ingericht. In die zones krijgen oude krekenstructuren en dijkpatronen juist een herstelfunctie. Ze vangen overtollig regenwater op en dienen als recreatiegebied voor de omwonenden.

Door de unieke geschiedenis van het polderland (de wielen, de kreken, de knotwilgen) te respecteren en zichtbaar te maken in de havenarchitectuur, behoudt de regio haar eigen gezicht. Dat versterkt het maatschappelijke draagvlak voor de haven: de haven ontwikkelt zich niet ten koste van het landschap, maar 'past zich in' (of probeert zich in te passen) in het historische decor.